vrijdag 3 februari 2012

Column: Bediend


Ik ben niet zo vaak jaloers op katholieke broeders en zusters. Mijn echtgenoot (zelfverklaard atheïst, maar Heilig Vormsel gedaan, dus de kerk zal hem nog wel meetellen) verwijt mij met enige regelmaat calvinisme en hij zal wel gelijk hebben. Ik ben niet zo van de pracht en praal, ik houd van sobere kerken en moet hoesten van wierook.
Ik heb, van de ene Marieke tot de andere, wel een band met Maria maar volgens mijn schoonoma kan het haar niet schelen of je protestant of katholiek bent. Dat is denk ik ook wat mij tot een ongeschikte katholiek maakt. Ik volg graag de regels en dat kan alleen, als ik bij onvrede een poging kan doen om ze te veranderen. Als ik in gesprek ben met katholieken komt er, altijd, een moment waarop gezegd wordt: '' ja dat zeggen ze wel, maar dat doen we anders”. Dat vind ik mooi, maar ik kan het niet zo goed.
Misschien ben ik ook gewoon te woord gericht voor de katholieke kerk. Ik wil nieuwe dingen horen in de kerk. Zoeken in taal naar dingen die zo moeilijk te verwoorden zijn. En toch is er zo af en toe een moment dat ik eigenlijk wèl katholiek zou willen zijn. Meestal tijdens een telefoongesprek: “Hoe gaat het met hem.” “Hij is gisteravond bediend”.
En dan weet je: het gaat niet goed. Er wordt een grens genaderd. Hij gaat dood. Ik raak altijd even heel ontroerd van die woorden. Ik vind het sacrament der zieken zo mooi en ik vind het lastig om in woorden uit te leggen waarom. Misschien is het dit: het mooie van bedienen is dat het om de stervende zelf gaat. Er wordt, voor de stervende, een afscheidsmoment van het leven gecreëerd.  Waar een uitvaart meer een afscheidsmoment voor de levenden is.
Nu is het vervelende van over de dood spreken natuurlijk, dat niemand van ons echt weet waar we het over hebben. Zeker, veel van ons hebben mensen zien sterven en allen hebben we nagedacht over sterven. Geen van ons is doodgegaan...
Misschien is het slechts een romantische gedachte van mij dat het zinvol is een ritueel uit te voeren bij het naderen van de dood. Maar het lijkt me zo logisch om zowel geboorte als sterven met een ritueel te markeren. Bij je doop krijg je een naam en beginnen de woorden in je leven. Bij het sterven biecht je voor het laatst en is er weer die hand op je hoofd. Van: “Kom maar hier, jij hoort erbij.” Tot: “Toe maar, ga maar, het is goed geweest”. 
Een ritueel aan het eind van het leven mist in onze kerk. Al zag ik op de site van de PKN dat er al sinds 2006 een liturgisch werkboekje over de  ziekenzalving voorhanden is. De  verklarende tekst bij dit boekje eindigt met de zin: “Hoe sluit ziekenzalving aan bij een geloofstraditie waarin het Woord centraal staat?” Precies mijn  zoektocht. Misschien schuilt het antwoord in het probleem. Aan het eind van het leven houden woorden op en rest er een handeling.
Tevreden deel ik mijn gedachtegang met man. Zijn oom was aanleiding van de bespiegeling. Man zegt: Ja, het klinkt wel mooi, maar het levert ook zoveel gedoe op. Wanneer is iemand ziek genoeg om te bedienen en als iemand weer opkrabbelt doe je het dan nog een keer?”
Dan komt de rouwkaart met de tekst: “Rustig is van ons heengaan” en concluderen we samen dat het tòch gewoon mooi is!   

Deze column verscheen eerder in Kerk in Stad  03-02-2012

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen