dinsdag 9 september 2014

De kerk en de Koning


Hoewel mijn familie ook een prachtig vakantiehuisje aan zee bezit, staat daar slechts een wit houten hekje om heen dat hooguit een paar 100 euro gekost heeft. Ik durf dan ook niet te zeggen dat ik me kan verplaatsen in onze koning.
Daarvoor zijn onze werelden te verschillend. Het scheelt een paar miljoen euro en een hoop meer privacy. Desalniettemin kan ik me levendig voorstellen dat onze koning in het openbaar weinig over zijn geloofsleven spreekt. Dat is namelijk ongelooflijk lastig. En als ik iets zeg, zijn er niet eens miljoenen mensen die daar iets van vinden.
Nu weet ik dat voor veel mensen het geloof iets is dat je van de daken schreeuwen moet. Die mensen stralen een enorme zekerheid uit. Ik heb die zekerheid niet bezeten maar ook nooit begeerd. Voor mij is geloven veel meer een zoektocht, een zoektocht die ik deel met anderen, met mensen die ook twijfelend en aarzelend dezelfde teksten lezen en blijven denken en zingen en ervaren.
Gezien de predikant bij wie de koning belijdenis deed, vermoed ik dat hij een medezoeker is. Dit zoeken naar God is een ongelooflijk persoonlijk proces. Iets dat je kan en moet delen maar wel in wederkerigheid met mensen die je vertrouwt. Zulke mensen zijn enorm waardevol, voor mij en waarschijnlijk zeker voor een koning die vanaf zijn geboorte een beetje van ons allemaal is. Ik kan goed begrijpen dat koning Willem-Alexander dit deel van zijn leven, waarin hij naar ik hoop voeding en inspiratie ontvangt, voor zichzelf houdt.
Ik vind dat eigenlijk zelfs vrij vanzelfsprekend.
De voorzitter van onze kerken vond dat niet. In een interview in NRC Handelsblad melde ze:
“Het is waar: tot nu toe is God niet sterk in zijn toespraken naar voren gekomen, en dat was opvallend. Ieder mens heeft het immers nodig om op een bepaalde manier te wortelen. Dus je gunt het de koning ook dat we kunnen horen hoe dat bij hem is.”
Ik vind het een buitengewoon merkwaardige zin. Ze gunt het hem dat wij dat weten? Op welke manier wordt hij daar beter van? Het is een onhandige uitspraak die ik vooral vervelend vond voor Willem-Alexander zelf. Hij weet als geen ander dat als hij zich uitspreekt het ook niet goed zal zijn. Het zal te licht zijn of te zwaar of andersgelovigen buitensluiten.
Toch bleef dit merkwaardige verhaal me dwars zitten. Vannacht wist ik ook waarom. Het gaat ook over u en over mij en over een merkwaardige blinde vlek van de kerk waar we lid van zijn.
Het nummer van Kerk in Stad dat u nu in handen heeft, gaat naar alle leden van de Protestantse kerk in Groningen die zich zo betrokken voelen dat ze financieel bijdragen aan onze kerk. Dat betekent niet dat u nog wekelijks komt of zelfs dat u zich nog hardop gelovig noemt. Als ik mensen tegenkom die zich zo aan de rand van onze kerk begeven, is er één ding wat altijd ter sprake komt. Het gevoel dat je je moet verontschuldigen en de ervaring en de angst om ter verantwoording geroepen te worden. En waar ik echt dacht dat dit soort bemoeizuchtige bekrompenheid iets van vroeger is, roept nu de voorzitter van onze kerk de koning van ons land op het matje in de krant. Dus even voor de zekerheid: de Protestantse Kerk in Groningen geeft u dit nummer omdat we blij zijn met u bijdrage, omdat we hopen dat wij iets te bieden hebben (het aanbod vindt u in dit blad) en omdat wij zeker weten dat u ons iets te bieden heeft. Kom gerust langs, twijfelen is toegestaan!

Deze column verscheen eerder in Kerk in Stad op 6 september 2014

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen